Artikelen

Leven in de middeleeuwen: het feodale stelsel, honger en pest.

.
Gebruikerswaardering:  / 6
ZwakZeer goed 

De oudst bekende stamvader van het geslacht Van Tiggelen is Wouter van Tichelt die geboren is omstreeks 1200. Van zijn zoon Gerard is bekend dat hij in 1308 een leen te Tichelt onder Rijsbergen bezat. Wouters kleinzoon, Jan van Tichelt, wordt in 1295 vermeld als leenman van de Heer van Hoogstraten. Diens zoon Gerard was leenman van de Hertog van Brabant en Henric van Tichelt “de Jonge” was leenman te Wuustwezel. Wat het inhield om leenman te zijn, en hoe deze middeleeuwse Van Tiggelens geleefd hebben, kun je hier lezen.

 


 

Het leenstelsel was min of meer uit nood geboren. Grote gebieden, zoals het Frankische rijk, waren moeilijk vanuit één centraal punt te besturen. Door verzwakking van het centrale gezag, invallen van de Noormannen en koninklijke schenkingen ontstaan zo rond het jaar 1000 half-onafhankelijke vorstendommetjes. De relaties tussen hoge en lagere heren en het “gewone” volk komen vast te liggen in het feodale stelsel (leenstelsel). De basis van het feodale stelsel was de persoonlijke band tussen een machthebber, de' leenheer', en zijn vazal, de 'leenman'. De leenmannen kregen van de leenheer landerijen en rechten in 'leen' en mochten de opbrengsten daarvan gebruiken voor hun levensonderhoud en hun bewapening. De leenman verplichtte zich tot trouw aan zijn heer en tot militaire dienst.

Veel leenmannen vervulden daarnaast allerlei belangrijke functies zoals schout, schepen, plebaan, kanunnik, stadhouder (= rentmeester), gemeentesecretaris, kerkmeester en burgemeester. Dit geldt ook voor de Van Tichelts. Zo was Gerard van Tichelt schout van Zandvliet en waren Hendrick van Tichelt en zijn zoon beiden schepen te Wuustwezel. Schout en schepenen behoorden tot de leidende klasse: het patriciaat. Zij werden door de vorst aangesteld en vertegenwoordigden zijn gezag in de steden. Een schout (ook wel baljuw of meier genoemd), fungeerde als centraal ambtenaar en vertegenwoordiger van de vorst bij de stedelijke rechtbank. De schepenen waren belast met het bestuur en de rechtspraak in de samenleving. Zij maakten verordeningen op over orde, tucht, handel en nijverheid, hielden het oog op de gilden, zorgden voor de openbare veiligheid en zedelijkheid, verdedigden hun vrijheid tegen vreemde inval, beheerden de gilden van de gemeente, hielpen de armen en wezen ondersteunen en de kinderen onderwijzen, bewaarden de handvesten en deden dienst als notaris: "huurcedullen", verkoopakten en testamenten werden door hen opgemaakt. Dit alles geschiedde echter wel onder het toezicht van de grondheer of zijn officier. De macht van de schepenen kon van plaats tot plaats verschillen.

Het ter beschikking stellen van leengoed had aanvankelijk een tijdelijk karakter maar op den duur groeide het bezit van leengoed uit tot een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen. In de 14de eeuw was dat erfelijk bezit van leengoed al sinds onheugelijke tijden gewoon. Leenmannen voelden er steeds minder voor de hun toegewezen gebieden weer af te staan Ze kregen dynastieke aspiraties en voelden zich heer en meester. Op deze manier viel het eens zo machtige imperium van Karel de Grote uiteen in talloze graafschappen, hertogdommen, vrije steden en kerkelijke gebieden. Uit de groep van feodale heersers traden ambitieuze figuren naar voren zoals Godfried, graaf van Leuven. In de strijd om het keizerschap van het Duitse Rijk (1106) verwierf hij Antwerpen en een groot deel van het huidige Noord-Brabant. Zijn opvolgers wisten het gebied nog verder uit te breiden. Het hertogdom Brabant groeide uit tot een van de machtigste gewesten van de Nederlanden.

In West-Europa ontwikkelt zich omstreeks 1400 een nieuwe machtsfactor: de Hertogen van Bourgondië, die hun plaats opeisen tussen het Franse koninkrijk en het Duitse rijk. Doel van de Bourgondische hertogen was om een koninkrijk te vestigen, van de Waddenzee tot Bourgondië in Frankrijk. Deze ambitie resulteerde in een opeenvolging van oorlogen. Er zijn weliswaar gedurende de gehele Middeleeuwen door conflicten geweest, maar vanaf de Bourgondische periode slepen ze langer aan. Alleen de periode tussen 1440 en 1470 vormde een langere rustpauze in een aaneenschakeling van oorlogsgeweld. Het is niet zo dat er veel mensen omkwamen bij de gevechten. De legers bestonden voornamelijk uit adellijke krijgers en huurlingen. Wanneer een troepenmacht echter ergens langer gelegerd was, eiste zij het graan en de veestapel op. Dikwijls werden de oogsten door de troepen vernield. De legers vorderden ook werkkrachten op om militaire versterkingen aan te leggen. Zodoende konden deze mensen niet in de landbouw werken.

Voor de burgers vormden de late middeleeuwen een moeilijke periode. Er was sprake van overbevolking en elke misoogst leidde tot hongersnood. De vele oorlogen zorgden ervoor dat oogsten regelmatig werden vernietigd of opgeëist. Bovendien werd in de late middeleeuwen bijna elke generatie geconfronteerd met een grote pestepidemie. Alleen de periode 1440-1470 (de tweede helft van het bewind van Filips “de Goede”) was een periode van welvaart en welzijn, zonder oorlogen en honger. De eerste grote hongersnood van de late middeleeuwen treedt op in de jaren 1316-17. Door de aanhoudende regens in 1315 was de oogst mislukt en waren er onvoldoende wintervoorraden. Het gevolg was een enorm voedseltekort dat vele slachtoffers eiste. Vanaf dit moment kennen de Zuidelijke Nederlanden regelmatig periodes van voedseltekorten. Als gevolg van de overbevolking leidde iedere toevallige misoogst tot hongersnood. Het steeds weerkerende karakter had tot gevolg dat de laagste klassen geen reserves konden opbouwen en daardoor regelmatig zwaar ondervoed raakten hetgeen leidde tot ernstige lichamelijke verzwakking.

Pestlijder, afbeelding uit de oudste medische encyclopedie van Nederland (1512)Een grote pestepidemie, maakt in de jaren van 1347 - 1351 in Europa niet minder dan 75 miljoen slachtoffers. Door de permanente staat van ondervoeding van de bevolking in Brabant, sloeg de ziekte daar in 1348 ongemeen hard toe. Doordat de pest zoveel slachtoffers maakte, ontstond er een tekort aan arbeidskrachten. Hierdoor was er niet genoeg mankracht beschikbaar om het land te bewerken waardoor voedseltekorten ontstonden. Als gevolg daarvan verzwakte de bevolking waardoor de pest opnieuw kon toeslaan. Hongersnood en pest hadden een wisselwerking met elkaar. Na 1350 werd vrijwel elke generatie geconfronteerd met een grote pestepidemie. Op sommige plaatsen liet een derde van de bevolking het leven.

De pest was feitelijk een bacil, die huisde in rattenvlooien. De ratten werden aangetrokken door het vele vuil en afval dat in de steden op straat lag te rotten. De ziekte kon zich door die onhygiënische toestanden snel verspreiden. Er bestonden twee varianten: de longpest had een zekere dood binnen drie dagen tot gevolg, de tweede soort was de builenpest, deze bood een iets betere overlevingskans. Voor de middeleeuwers was de pest een straf van God. Zij probeerden boete te doen via publieke zelfkastijdingen. Anderen beschuldigden de Joden ervan het water te hebben vergiftigd. Er werden Jodenvervolgingen georganiseerd, dikwijls op initiatief van de overheid, zoals in 1350 in Brabant, Henegouwen en Luxemburg. De doodsangst voor de steeds weerkerende dood kwam ook tot uitdrukking in de kunst en cultuur, bijvoorbeeld de schilderijen van Jeroen Bosch.

 

Bronnen: