Artikelen

Gezinnen, levensverwachting en begrafenissen - Levensverwachting

.
Gebruikerswaardering:  / 1
ZwakZeer goed 

 

Levensverwachting

Aan het einde van de 20ste eeuw was de gemiddelde leeftijd bij het overlijden van een man ca.75 jaar en van een vrouw ca. 80 jaar. Rond het midden van de 17de eeuw was dit slechts 25 jaar. Met 45 jaar was je toen oud! Dit had te maken met de hoge kindersterfte, ondervoeding, gebrekkige geneeskunst, epidemieën enz. Tegen het einde van de 18de eeuw bedroeg het gemiddelde 30 jaar en rond 1850 zo'n 35 jaar. Rond 1900 was de gemiddelde levensverwachting opgelopen tot zo'n 45 jaar.

In het eerste levensjaar liepen pasgeborenen het grootste risico om te overlijden. Dit is tot ver in de 19de eeuw zo gebleven. De industriële revolutie zorgde zelfs nog voor een verslechtering van de overlevingskansen van babies. Rond 1850 stierf tussen de 15 en 25% van de pasgeboren kinderen in hun eerste levensjaar. Het overlijdensrisico was ook voor peuters zeer hoog. Van elke 100 kinderen overleed nog eens 5 tot 10% voordat ze vijf jaar oud waren. Kinderen van losse en ongeschoolde arbeiders liepen een hoger risico om te sterven dan kinderen uit de hogere sociale lagen (gegoede burgerij, boeren en beambten).

De kindersterfte varieerde per provincie. In hoger gelegen gebieden (waaronder Brabant) lag de kindersterfte lager dan in bijvoorbeeld Zuid en Noord Holland. Dit had te maken met verzilting en vervuiling van het oppervlakte- en grondwater in die gebieden. Er was weinig goed drinkwater voorhanden waardoor flessen en spenen schoongemaakt moesten worden met besmet water en kinderen vaker last kregen van maag- en darmstoornissen. Bovendien waren deze gebieden dichter bevolkt waardoor infectieziekten zich sneller konden verspreiden. Vanaf ca. 1900 zijn het vooral het noordoostelijk deel van Noord Brabant en Limburg die een hoge kindersterfte kennen.