Artikelen

Gezinnen, levensverwachting en begrafenissen

.
Gebruikerswaardering:  / 1
ZwakZeer goed 

Het verloop van kinderrijke naar kinderarme gezinnen heeft in de 19e en 20e eeuw nogal wat golfbewegingen laten zien. Er is ook vaak onderzoek gedaan naar het verband met een of andere vorm van geboorteregeling. De kinderrijke gezinnen konden in Holland ook rekeningen op financiële bijstand, hoewel daar tussen de provincieën nogal wat verschillen waren te zien. Daarbij komt het verschil in levensverwachting. Hoewel sommige gezinnen een groot aantal kinderen op de wereld zette werden deze niet altijd erg oud. De kindersterfte laat dan ook door de jaren heen een sterk fluctuerend beeld zien.

 


 

Kinderrijke gezinnen

De Hollandse Charitas in het begin van de 19e eeuw.Kinderrijke gezinnen zijn een fenomeen van de laatste 100 à 150 jaar. Daarvoor brachten de meest echtparen in hun vruchtbare periode hooguit om de 24 à 30 maanden een kind ter wereld. Dat hield geen verband met een of andere vorm van geboorteregeling, maar met de langdurige borstvoeding die zorgde voor het uitblijven van de menstruatie en dus tijdelijk onvruchtbaarheid veroorzaakte. Reken daarbij nog de hoge graad aan kindersterfte, en dan kom je aan een gemiddelde van amper twee (volwasssen) kinderen per gezin. In de periode 1750-1849 nam het aantal gezinnen met weinig kinderen toe, terwijl kinderrijke gezinnen steeds minder vaak voorkwam.

De voor- en nadelen van de levenscyclus, sterfte, werkloosheid, oorlogen en persoonlijke omstandigheden veroordelen mensen tot armenzorg. Het grootste deel van de bevolking werd door deze gevaren bedreigd. Veel Nederlanders zagen zich genoodzaakt om bij de armenkassen aan te kloppen. De algemene, of 'huiszittende' bedeling hielp in 1850 1 op de zeven Nederlanders op vaste voet. Friesland, Utrecht, Noord- en Zuid-Holland bedeelden daarbij een aanzienlijk groter deel van de bevolking dan Drenthe, Overijssel en Gelderland. Daar kwamen nog de instellingsarmen bij, de ondersteunden van de medische armenzorg en degenen die tijdelijk werden geholpen. Bij de algemene bedeling ging het over het algemeen om bejaarden, zieken en invaliden, weduwen met kinderen en kinderrijke gezinnen, waaronder die van losse arbeiders met onregelmatige en ontoereikende inkomsten.


 

Levensverwachting

Aan het einde van de 20ste eeuw was de gemiddelde leeftijd bij het overlijden van een man ca.75 jaar en van een vrouw ca. 80 jaar. Rond het midden van de 17de eeuw was dit slechts 25 jaar. Met 45 jaar was je toen oud! Dit had te maken met de hoge kindersterfte, ondervoeding, gebrekkige geneeskunst, epidemieën enz. Tegen het einde van de 18de eeuw bedroeg het gemiddelde 30 jaar en rond 1850 zo'n 35 jaar. Rond 1900 was de gemiddelde levensverwachting opgelopen tot zo'n 45 jaar.

In het eerste levensjaar liepen pasgeborenen het grootste risico om te overlijden. Dit is tot ver in de 19de eeuw zo gebleven. De industriële revolutie zorgde zelfs nog voor een verslechtering van de overlevingskansen van babies. Rond 1850 stierf tussen de 15 en 25% van de pasgeboren kinderen in hun eerste levensjaar. Het overlijdensrisico was ook voor peuters zeer hoog. Van elke 100 kinderen overleed nog eens 5 tot 10% voordat ze vijf jaar oud waren. Kinderen van losse en ongeschoolde arbeiders liepen een hoger risico om te sterven dan kinderen uit de hogere sociale lagen (gegoede burgerij, boeren en beambten).

De kindersterfte varieerde per provincie. In hoger gelegen gebieden (waaronder Brabant) lag de kindersterfte lager dan in bijvoorbeeld Zuid en Noord Holland. Dit had te maken met verzilting en vervuiling van het oppervlakte- en grondwater in die gebieden. Er was weinig goed drinkwater voorhanden waardoor flessen en spenen schoongemaakt moesten worden met besmet water en kinderen vaker last kregen van maag- en darmstoornissen. Bovendien waren deze gebieden dichter bevolkt waardoor infectieziekten zich sneller konden verspreiden. Vanaf ca. 1900 zijn het vooral het noordoostelijk deel van Noord Brabant en Limburg die een hoge kindersterfte kennen.


 

Begrafenissen

De oudste gegevens over dit onderwerp stammen uit 3500 voor Christus. De doden worden dan begraven in hunnebedden die gemaakt zijn van grote stenen uit de voorlaatste IJstijd. Een overledene wordt zittend, gehurkt of liggend bijgezet in de grafkelder die gevormd werd door de stenen. Daaromheen leggen de nabestaanden giften zoals sieraden, wapens en voedsel waaruit blijkt dat ze geloven in een leven na de dood. Over de stenen komt een dekheuvel met zand, zodat alleen een langwerpige heuvel met de punten van de stenen zichtbaar blijft. In één hunebed worden meerdere generaties begraven. In Nederland zijn zo'n 50 hunebedden bewaard gebleven. Ook zijn er kleinere steenkist- en keldergraven gevonden. Dat zijn waarschijnlijk de opvolgers van de hunebedden. Deze kleine graven werden vermoedelijk afgedekt met hout.

In het midden van de Bronstijd begint men de overledenen te verbranden op brandstapels van hout. Na afloop worden de verbrande resten in een grafkuil of een boomkist gedaan. Vanaf 1100 voor Christus wordt de lijkverbranding een traditie. De resten worden vanaf die tijd in een urn, doek of los in een kuil begraven. Er ontstaan grote urnenvelden met verschillende typen grafmonumenten. Tot 500 voor Christus zijn deze urnenvelden veel gebruikt. Er zijn bewijzen gevonden dat de mensen in de Late IJzertijd de lichamen van overledenen eerst in de open lucht laten vergaan voordat ze verbrand worden. Tussen overlijden en cremeren kan soms wel een jaar zitten. Het verbranden van de doden vormt ook in de daarop volgende duizend jaar een wezenlijk onderdeel van Griekse, Romeinse en Germaanse samenlevingen.

In het voorjaar van 785 verbiedt Karel de Grote het verbranden van doden. Alleen bij epidemieën of na grote veldslagen is het nog toegestaan. Vanaf dat moment worden lijken begraven. Aanvankelijk buiten de nederzettingen maar later wordt, vanwege het geloof, de voorkeur gegeven aan begraven in of bij de kerk. In het begin worden alleen belangrijke inwoners en geestelijken begraven in de grafkelders van kerken. Hun graven worden veelal afgedekt door hardstenen dekplaten met ingehakte teksten, symbolen en familiewapens. Pas enkele honderden jaren later wordt het ook voor anderen mogelijk om zich in de kerk te laten begraven. Liefst zo dicht mogelijk bij het altaar waarvan de heiligheid af zou stralen op de overledenen. Vanwege de kosten lag dat echter niet voor iedereen binnen handbereik. Mensen met minder geld kwamen in een gemeenschappelijke grafkelder, ook wel meugveel of slokop genoemd. De allerarmsten werden buiten de kerk begraven, op de mindere plaatsen van het kerkhof. Zelfmoordenaars en ongedoopte kinderen werden helemaal op afstand gehouden, zij mochten niet in gewijde grond liggen. Dit was de reden dat pasgeboren kinderen zo snel mogelijk na hun geboorte gedoopt moesten worden (liefst nog op dezelfde dag).

Het begraven in de kerk gebeurde niet altijd even zorgvuldig. Geruimd werd er niet, dus de kerken raakten overvol. Vanwege het plaatsgebrek kon niet elke overledene een eigen graf krijgen en werden leden van één familie onder dezelfde steen begraven. Overleed er iemand uit een familie, dan werd het graf geopend zodat het lichaam kon worden bijgezet. Dit zorgde voor een doordringende stank in de kerk. De uitdrukking "rijke stinkerd" komt hiervandaan! Door het herhaald oplichten van de stenen, verzakten bovendien de vloeren waardoor niet alle grafstenen goed meer aansloten. Het gevolg was dat er in de kerken, bij warm weer, permanent een lijkenlucht hing.

Door de bevolkingsgroei, een groeiend besef van hygiëne en het gevaar van besmetting gaan er rond 1800 steeds meer stemmen op om het begraven in de kerk te verbieden. In Nederland wordt het begraven in de kerk tijdens het Franse bewind (1795-1813) officieel verboden door Napoleon. Maar het oude gebruik blijkt zo sterk geworteld dat het besluit direct na het vertrek van de Fransen in 1813 weer ongedaan wordt gemaakt. Pas in 1829 vaardigt koning Willem I opnieuw een verbod uit. Gemeenten met meer dan 1.000 inwoners moeten vanaf dat moment een begraafplaats aanleggen buiten de bebouwde kom. Particulieren mogen ook een privé-begraafplaats aanleggen. Verschillende adellijke families maken van deze mogelijkheid gebruik.

Tegelijk met het verzet tegen het begraven in en rond de kerken, ontstaat er een hernieuwde interesse voor crematie. Medici en wetenschappers stellen dat het verbranden van de doden de bestrijding van epidemische ziekten positief kan beïnvloeden. Zij ontdekken ook dat de ontbindende lijken het drinkwater kunnen besmetten. Tijdens medische congressen pleiten ze voor het legaliseren van lijkverbranding. In Italië wordt het eerste Europese crematorium geopend. De kerk houdt een verdere bevordering van cremeren hier echter tegen. In andere landen vindt het voorbeeld wel navolging. Zowel in Engeland, Frankrijk als Duitsland komen crematoria. In Duitsland wordt Eduard Douwes Dekker (Multatuli) in 1887 als eerste Nederlander gecremeerd. In die tijd was dat in Nederland nog niet mogelijk. Pas in 1911 wordt het eerste crematorium geopend in Nederland op het terrein van de begraafplaats Westerveld in Driehuis. Op 1 april 1914 vindt daar de eerste crematie plaats. Deze crematie was eigenlijk nog illegaal, omdat in de wetgeving lijkverbranding nog niet was opgenomen. Vanaf 1955 is crematie wettelijk toegestaan. En vanaf 1968 stelt de wet cremeren gelijk aan begraven. In 2003 werden iets meer overledenen gecremeerd (50,9%) dan begraven.

Bronnen:
Geschiedenis van Holldand, door Thimo de Nijs, Eelco Beukers en Jos Bazelmans
Museumgids van het Openluchtmuseum van Bokrijk
Website Verrewanten van Teleac Website Uitvaartcompas.nl