Artikelen

In gesprek met... Peet van Tiggelen - Veertig jaar werken bij de notaris

.
Gebruikerswaardering:  / 4
ZwakZeer goed 

 

Veertig jaar werken bij de notaris

Peet in 1945 met zijn latere echtgenote Marie bij het pompstation in Het werk bij de gemeente vond Peet na een jaar al welletjes en hij vertrok naar het notariskantoor van notaris Siebelink. Dat kantoor was gevestigd bij de notaris aan huis, naast de brouwerij van de familie Siebelink aan de markt te Wouw. De notaris woonde daar met zijn zuster. Peet volgde Piet van Dijk op als boekhouder. Deze was een eigen accountantskantoor begonnen in Bergen op Zoom. Naast boekhouder werd hij, zoals gebruikelijk op een klein kantoor, ook ingezet voor alle andere kantoorzaken. Zijn salaris was zo’n 300 à 400 gulden per maand. Een heel behoorlijk salaris voor die tijd. Peet zou veertig jaar in het notariaat werkzaam blijven bij achtereenvolgens notaris Siebelink, notaris Nooren, notaris Goderie en nog een korte periode bij de huidige notaris Hermsen. Van notaris Siebelink kregen de medewerkers veel vrijheid. De notaris bracht veel tijd door in de nabijgelegen brouwerij van zijn broer. Menigmaal was de notaris niet te vinden voor het ondertekenen van stukken. Zijn zuster zei dan tegen de medewerkers: „Hij zal wel in de brouwerij zijn”. Door de aanwezigheid van maar liefst drie kandidaat-notarissen kón notaris Siebelink ook relatief veel tijd besteden aan de brouwerij. Hij liet zich ook wel eens ontvallen dat hij beter geen notaris had kunnen worden, maar brouwer. De periode bij notaris Siebelink was voor Peet een gouden tijd. De notaris was een goed mens, hij kon er alle facetten van het vak leren en de vrijheid die Peet kreeg kwam goed van pas bij zijn nevenactiviteiten. Er kwamen vogels van allerlei pluimage op het notariskantoor. Veel boerderijen en landerijen in West-Brabant en Zeeland waren in het bezit van de adel, dikwijls Belgische adel. Het notariskantoor verrichtte voor deze mensen allerhande zaken, zoals het innen van de pacht, het doen van de belastingaangifte en soms ook personeelszaken. Peet herinnerde zich nog een anekdote over J. Pelletier, Graaf de Chambure en zijn vrouw gravin de Chambure–Cuypers, de toenmalige eigenaren van landgoed Mattemburgh. Peet was een van de weinige op kantoor die een beetje Frans sprak. Op een morgen belde de graaf dat ‘le jardinier malade’ was en als zodanig opgegeven moest worden bij de ziektewet. Peet moest dan de graaf te woord staan in zijn beste schoolfrans, dit tot groot vermaak van zijn collega’s op het kantoor. Elk jaar kwamen de heren hun bezittingen bekijken (schouwen) en vernemen wat de opbrengst van hun bezittingen was. Er waren onder de klanten ook drie baronnen uit België, waarvan er een burgemeester van Vorselaar was. Deze kwam prompt eerst Peet, die ondertussen wethouder in Wouw was geworden, de hand schudden met de opmerking: ‘goede morgen schepen’. Bij het schouwen van een boerderij in de buurt van Ossendrecht maakte een van de eigenaren de opmerking: “Alfred, wat staan er toch veel distels en doornen op uw land”. De boer gaf hierop als antwoord, dat het kwam door de watersnood. Peet dacht zelf eerder aan een slechte boer. Veel leverden de boerderijen de eigenaren niet op. Volgens Peet waren de boeren ook behoorlijk slim om niet al te veel pacht te behoeven te betalen. Veelal bracht de pacht niet meer op dan de opgegeven onkosten en het onderhoud dat de boer had gepleegd. Verder probeerden de boeren ook de notaris met een haas, een stuk vlees of iets dergelijks zodanig te beïnvloeden dat deze het niet al te bont maakte met de te betalen pacht. Op een dag kwam een boer bij de notaris met een kip. De notaris was in bespreking en de kip werd op het kantoor afgegeven. Jong als zij waren, begonnen ze op het kantoor met de kip te voetballen tot er niet veel meer van over was. Of de notaris de kip had opgegeten wist Peet niet meer. Leuk vond hij het nog steeds. Langzamerhand begon de adel haar bezittingen te verkopen. Hun bezit bracht hun nauwelijks wat op. Zo ook het verhaal van baron Daufresne de la Chevallerie. Deze was door erfenis uiteindelijk de eigenaar geworden van alle bezittingen van de familie De Ram uit Halsteren. De boerderijen van Withagen en Bol waren o.a. eigendom van deze meneer. Hij was consul in Japan en éénmaal per jaar kwam hij naar Wouw om te informeren hoe het met zijn bezittingen gesteld was. Na de zoveelste teleurstelling over de opbrengst zei hij: „Ik bezit bijna de hele provincie en het brengt me niets op”. Niet lang daarna verkocht hij zijn bezittingen. De kennis van de Franse taal is Peet op kantoor altijd van pas gekomen, tot notaris Hermsen in Wouw kwam. Die sprak Frans zoals Peet Wouws kon praten en hij had Peet niet meer als tolk nodig. Nog één verhaal over notaris Nooren, omdat het relevant is voor het vervolg van dit verhaal. Nooren had een zoon die in Amsterdam medicijnen studeerde (de latere chirurg Nooren in Roosendaal). Zoals een goed student betaamt, had ook deze een chronisch gebrek aan financiële middelen en vroeg zijn vader regelmatig om een extra donatie. Die stuurde hem prompt naar de boekhouder Peet, die hem vijfentwintig gulden mocht geven, niet meer. Alle vier de notarissen hadden zo hun eigen karakters. Peet vond Siebelink en Goderie goedmoedig, Nooren streng en Hermsen geleerd. Aan de eerste drie heeft hij warme herinneringen, met Jos Hermsen en zijn vrouw heeft hij nog wekelijks contact.