Artikelen

In gesprek met... Peet van Tiggelen - Nog meer oorlogsverhalen

.
Gebruikerswaardering:  / 4
ZwakZeer goed 

 

Nog meer oorlogsverhalen

Peet en een Britse bevrijder bij een tentoonstelling over de Tweede wereldoorlogOp een dag was er veel militaire drukte op de Markt in Wouw. De Markt zag er overigens anders uit dan tegenwoordig. Een groot deel was veranderd in loopgraven. De drukte werd veroorzaakt door een bezoek van Himmler, die de troepen kwam inspecteren. Peet vond dat wel interessant en ging een kijkje nemen. Voor hij het wist stond hij met een pistool in zijn zak, schouder aan schouder met een van de grote kopstukken van het Derde Rijk. Hij had zo een aanslag op Himmler kunnen plegen. Gelukkig voor Wouw en hemzelf heeft hij dat niet gedaan, want de represailles zouden verschrikkelijk geweest zijn.

Op het einde van de oorlog was pastoor Wolters naar de Duitse commandant in Kruisland gereden in een poging de kerk met zijn toren te redden. Hij kwam terug met slecht nieuws. De toren zou worden opgeblazen en de kerk in brand geschoten. Hij deed zijn verhaal buiten bij de kerk in het bijzijn van onder andere Jack van Wezel, Peet van Tiggelen en Jan Jacobs. Jan stond overal bij en was nergens bang voor. Toen Jan hoorde dat de toren zou worden opgeblazen zei hij onmiddellijk: “Dat gaat niet gebeuren”. “Hoezo niet”, zeiden de anderen. “Ik haal de springstof weg die rond de toren is aangebracht”, zei Jan. De pastoor wilde het niet omdat in zijn beleving dat 15 à 20 inwoners van Wouw het leven zou kosten. Peet was er van overtuigd dat Jan het gedaan zou hebben. Wat Jan wel deed en hem uiteindelijk het leven kostte, vond niet lang daarna plaats. In dezelfde periode (oktober 1944) werd er hevig gevochten rond Wouw. Op de Markt werd een jongen van Schoonen getroffen in zijn arm. De verwonding was zo ernstig dat de toenmalige dokter Voermans er ter plaatse niets aan kon doen. Hij moest met spoed naar het ziekenhuis in Bergen op Zoom. De dokter en de anderen durfden door de hevige gevechten op de Bergsebaan niet naar het ziekenhuis te rijden. Jan Jacobs stond er, zoals altijd, ook bij en hoorde het verhaal aan. Hij aarzelde geen moment en zei: „Zet hem maar achter op mijn fiets, dan breng ik hem weg”. Jan reed door de linies naar Bergen op Zoom en leverde de patiënt in het ziekenhuis af. Op de terugweg werd hij zelf door een kogel getroffen en overleed op de Markt aan zijn verwondingen. Jan was een held vond Peet, we hebben er na de oorlog niets mee gedaan en dat was een groot onrecht naar deze man. Nog een held was, vond Peet, Piet van der Heijden, van de betonfabriek. Op een vraag van Pol Dekkers uit Wouwse Plantage bracht Piet met zijn vrachtwagen met gasgenerator het Joodse gezin Rottenberg (man, vrouw en dochter) naar Putte. Ze waren verstopt onder de ‘mustert’ (tot een bundel bij elkaar gebonden dunne takken, die gebruikt werd om bv. een broodoven te stoken) waarmee hij zijn vrachtwagen had volgeladen. Na de oorlog kreeg Piet een brief waarin de Joodse man schreef dat ze veilig Zwitserland hadden bereikt en hij het op prijs zou stellen om Piet, die mede hen het leven had gered, eens te ontmoeten in Amsterdam. Piet vond dat maar flauwekul en ging pas na veel aandringen van Peet naar Amsterdam. Hij zou volgens Peet wel een flinke beloning krijgen. Joden stonden immers over het algemeen bekend als rijke mensen. Toen Piet de dag na zijn bezoek aan Amsterdam Peet ontmoette, liet hij zijn ‘flinke beloning’ zien. Hij was voor een slof sigaretten een hele dag naar Amsterdam geweest. Dat viel dan weer wat tegen.