Artikelen

In gesprek met... Peet van Tiggelen - De oorlogsjaren

.
Gebruikerswaardering:  / 4
ZwakZeer goed 

 

De oorlogsjaren

Burgemeester H.Willems speldt Peet op zijn 70e verjaardag de koninklijke onderscheiding Ridder in de orde van Oranje Nassau op vanwege zijn 32-jarig lidmaatschap van de gemeenteraad op 22 oktober 1991.In het begin van de oorlog werden overal wervende pamfletten door de Duitsers opgehangen om je te melden voor de bijvoorbeeld de ‘waffen SS’. Peet kreeg, met nog enkele anderen, van de toenmalige burgemeester Termeer de opdracht die pamfletten te verwijderen. Dat werd aangegeven bij de Duitsers en op een dag moesten de burgemeester, Jan Vriends, veldwachter Baeten en Peet zich melden bij de Sicherheitsdienst in Breda. Deze was gevestigd in de gebouwen van de KMA. Met de bus en de trein werd ’s morgens vertrokken naar Breda. Daar aangekomen werden ze aan de poort door de bewaking ontvangen met de woorden: “So, da sind die Herren aus Wouw". Na enige tijd gewacht te hebben op een gang werd Peet als eerste binnengeroepen door een officier met een schild op zijn borst waarop te lezen stond: Sicherheitspolizei. Er werd proces verbaal opgemaakt en Peet kon zonder het gelezen te hebben zijn handtekening onder dat proces verbaal zetten. Hij deed nog een poging het te lezen maar dat werd hem niet in dank afgenomen. Een klap voor zijn hoofd kon hij maar net ontwijken. Ook de anderen moesten later één voor één binnenkomen en kregen dezelfde behandeling. Men had afgesproken dat men zou samenkomen in het Oranje hotel in Breda om gezamenlijk terug te reizen naar Wouw. In de loop van de dag druppelden ze binnen in het hotel en waren allemaal erg onder de indruk. De opgelegde straffen varieerden van drie tot zes maanden gevangenisstraf. Bedrukt ging men terug naar huis, een onzekere toekomst tegemoet. Vooral voor de mannen met een gezin viel de reis naar huis zwaar. Thuis werd alvast gekeken naar mogelijke onderduikadressen. Uiteindelijk werd alleen de burgemeester later gestraft en voor lange tijd vastgezet in Sint Michielsgestel. Hij werd vervangen door een NSB-burgemeester uit Ossendrecht, Pol de Jong. Kort na het begin van de oorlog gingen zowel Jack van Wezel als Peet bij het verzet. Jack was commandant en Peet werd ondercommandant. Het was ook Jack van Wezel die bij Peet aandrong om op het distributiekantoor te gaan werken. Kees Timmermans was daar het hoofd van.

Het distributiekantoor was gevestigd in de oude school, waar nu de parkeerplaats is tussen de cafés Obelix en De Potter aan de Bergsestraat. Peet kreeg de opdracht naast het gewone werk voor zo’n 30 tot 35 mensen bonnen achterover te drukken. Die bonnen waren afkomstig van de mannen die voor de ‘Arbeitseinsatz’ naar Duitsland waren vertrokken. Die bonkaarten zaten in enveloppen waar Peet elke week de dan geldende bonnummers vanaf knipte. Die bonnen moesten vanzelfsprekend verzameld worden op een veilige plaats. Die veilige plaats was bij Piet Maas aan de Hilsestraat, nu Plantagebaan, in de buurt van de overweg. Daar werden de bonnen gesorteerd en gedistribueerd naar de diverse onderduikadressen. Die plaats bij Piet Maas was zo veilig omdat Piet besmet was geraakt met TBC, een in die tijd levensbedreigende ziekte waar veel mensen aan stierven. Hij lag in de tuin achter het huis in een soort blokhut in quarantaine. Op de deur hing een bord met daarop de waarschuwing TBC. Geen Duitser of NSB-er die daar naar binnen ging. Er was in die tijd altijd gebrek aan onderduikadressen en ook daar voor klopte men aan bij Piet Maas. Hij ging onmiddellijk akkoord met de toevoeging: “Hoe gevaarlijker hoe liever". Hij kreeg wat hij vroeg en er werden twee marinemensen ondergebracht. Het waren Kees Bals uit Wouw (zoon van schoenmaker Bals aan de markt) en Jack Vilvooie?? uit Roosendaal, twee bemanningsleden van Nederlandse onderzeeboten met verlof die niet meer op tijd naar hun schip terug konden keren. Het betrof waarschijnlijk de K17 en de K18 die beiden in Indonesische wateren voeren. De K17 liep op 21 december 1941 in de golf van Siam op een mijn, waarbij alle 36 bemanningsleden de dood vonden. De K18 werd uiteindelijk in 1945 door de Jappen tot zinken gebracht. Achteraf was het voor die marinemensen nog zo slecht niet dat ze in Wouw zaten ondergedoken. Piet Maas die al die tijd grote risico’s liep met het onderbrengen van de onderduikers had nog één grote wens. Hij wilde heel graag een Engelse piloot onderdak bieden. Die kans kreeg hij toen bij ‘De Zeezuiper’ een Engelse piloot werd opgepikt en werd overgebracht naar Piet Maas. Deze man had echter instructies zo snel mogelijk via Antwerpen en Zwitserland terug te keren naar Engeland en wilde niet langer dan een nacht blijven. Toen Peet zijn verhaal vertelde, liepen bij hem de emoties hoog op en stonden de tranen in zijn ogen. "Een held was Piet Maas", zei hij, "waar veel te weinig aandacht aan geschonken is na de oorlog". Er zouden nog enkele helden volgen in het verloop van het gesprek. Soms ontstonden tussen onderduikers en degene die hen onderdak boden conflicten. Zo ook hier. De twee marinemensen werden later nog ondergebracht bij onder meer Ariaan Backx in de Boomhoeve, Geert van Agtmaal in de Spellestraat, A. Suykerbuyk in de Bergsestraat, Ant. Machielse in de Roosendaalsebaan, Jac Jonkers in Wouwse Plantage en Franken in Moerstraten.

De hele oorlogsperiode is Peet werkzaam gebleven bij de Distributiedienst. Voor het verzet was hij verbindingsman tussen Roosendaal en Bergen op Zoom. In Roosendaal was zijn contactadres ene meneer Robinson, inspecteur van de belasting. Soms ook een adres in de Vrouwemadestraat maar daar wilde de naam hem niet meer van te binnen schieten. In Bergen op Zoom moest hij op de Noordsingel nr.1 zijn, bij Ir. Juten, een van de kopstukken van het verzet in Bergen op Zoom. Op een avond moest Peet voor het verzet naar Bergen op Zoom. Onderweg, ter hoogte van het nu aanwezige crematorium, werd hij aangehouden door twee NSB-ers met een jachtgeweer. Hij aarzelde geen moment en haalde zijn pistool uit zijn zak. Tot zijn opluchting zetten de twee mannen het onmiddellijk op een lopen. Toch zou in Bergen op Zoom groter gevaar wachten. Hij ging deze avond niet direct naar zijn contactadres Noordsingel 1, maar fietste eerst langs de familie Aarnoudse bij de Sint Jozefkerk (in de volksmond de Joorenkerk) .Daar werd Peet gewaarschuwd niet naar de Noordsingel te gaan, omdat op dat moment een inval van de Duitsers bezig was. Volgens Peet zijn daar toen zeker tien mensen opgepakt en uiteindelijk naar het concentratiekamp Dachau gebracht. Er keerden van deze groep wel mensen levend terug uit Dachau, maar hoeveel er dat waren wist Peet zich niet goed meer te herinneren. In de beginperiode van de oorlog zei Jack van Wezel op een dag tegen Peet, (Pol de Jong uit Ossendrecht was ondertussen als NSB-burgemeester in Wouw aangesteld): "Wij gaan met de burgemeester praten, anders wordt het voor ons veel te gevaarlijk om te werken". Peet vond dat geen goed plan, twee mensen van de ondergrondse die gingen praten met een NSB- burgemeester. Maar Jack hield voet bij stuk en er werd een afspraak met de burgemeester gemaakt. Peet kon het zich nog herinneren als de dag van gisteren. Hij met Jack van Wezel aan de ene kant van de tafel en de burgemeester aan de andere kant. Jack nam het woord en zei zonder blikken of blozen: " Burgemeester wij willen opening van zaken geven en met U goede afspraken maken. Wij zijn bij de ondergrondse in Wouw, ik ben de commandant en Peet is mijn ondercommandant. Als de oorlog door jullie verloren is, want dat gaat gebeuren, zullen wij zorgen dat U fatsoenlijk behandeld wordt. In de tussentijd laat U ons met rust en waarschuwt U ons als er in de gemeente wat staat te gebeuren dat gevaar oplevert voor ons". "Het bleef wel 10 minuten stil", zei Peet. Toen ging de burgemeester, tot zijn stomme verbazing, akkoord met hun voorstel. "Natuurlijk", zei Peet, "was de burgemeester in de oorlog fout en werkte hij met de Duitsers mee, maar ons heeft hij altijd gewaarschuwd als er onraad was". De burgemeester had wat hem betreft woord gehouden. De burgemeester beschermde hem ook toen op een nacht, Peet woonde in die tijd nog bij zijn ouders in de Roosendaalsestraat, er een Duitse soldaat naast zijn bed stond en hem opdracht gaf zich te melden op het gemeentehuis voor de ‘Arbeits-Einsatz’ in Duitsland. Nadat Peet hem verteld had dat hij op het gemeentehuis werkte, vertrok hij weer. Het was voor Peet een spannend moment. Als lid van de ondergrondse had hij altijd een pistool bij en ook die nacht lag dat pistool onder zijn bed. Gelukkig gebruikte hij het niet, maar een spannend moment vond hij het tot op de dag van vandaag. Zonder het goed te willen praten kon Peet toch enig begrip opbrengen voor sommige mensen die zich bij de NSB aansloten. De meeste mensen waren straatarm, kwamen recht uit de crisis van de dertiger jaren en zaten dikwijls zonder werk. Het was in veel gevallen uit pure armoede dat men zich bij die club aansloot. Op de vraag na de oorlog aan een ex-NSB-er waarom hij bij de NSB was gegaan, zei deze: “Ik moest wel, want de duivel zat elke dag op mijn rug".