Artikelen

Archeologische vondsten op de Tichelakker

.
Gebruikerswaardering:  / 2
ZwakZeer goed 

Het geslacht van Tichelen, dat oorspronkelijk van Tichelt heette, voert zijn naam naar het oude plaatsje Tichelt, gelegen bij Rijsbergen, in de nabijheid van Loenhout, in het territorium van het oude Hertogdom Brabant. Oorspronkelijk voerde het geslacht de familienaam van Tichelt (van Tyghelt). J.W.A. Gommers meld in zijn boek 'Beschrijving van Rijsbergen' dat het woord 'Tichelt' is afgeleid van 'Tichel-ood' wat betekent 'het goed bij 't afgodsbeeld'. Dit wordt in verband gebracht met een altaarsteen die in 1812 werd gevonden op de Tichelakker onder Rijsbergen.

 


 

De Tichelakker

Kadasterkaart Minutenplan van het gehucht TiggeltDe familie van Tichelen heeft zich altijd gekenmerkt door haar groot-grond-bezit in de Kempen. De plaats Tichelt behoorde met Kaarschot, Breedschot, Oekel en Hazeldonk tot de vijf gehuchten van Rijsbergen. Het vormde reeds in de latere middeleeuwen een 'heerlijkheid', die een achterleen was van de Heeren van Breda. Gerard van Tichelt bezat in 1308 al een landgoed te Tichelt. Verder was Jacob van Tighelt in 1279 een jaarlijkse korenrente schuldig aan de Vrouwe van Breda uit de 'hoeve te Karleschot ende die Molen en al dat daer toe behoert'. Verder spreekt men in 1556 van een 'laethof van Thygelt' onder Loenhout.

Naar de Tichelakker word ook wel verwezen als 'Ticheltakker' of 'Tiggeltakker'. Binnnen hetzelfde gebied bevinden zich locaties als 'Tiggeltscheberg', 'De Huisakkers', 'De Gendberg'. Meer geografische informatie is terug te vinden op de volgende pagina's:

WatWasWaar Rijsbergen, Noord-Brabant, Sectie B

Google Maps geografische locatie op 51,5209N - 4,6709E

Onderzoek naar de laatmiddeleeuwse landschap en veldnamen in de Baronie van Breda heeft verder nog meer informatie opgeleverd over de betekenis van Tichelt en steen. De betekenis van steen word op verschillende wijzen omschreven. Steen kan wijzen op plaatsen waar restanten uit de Romeinse tijd in de ondergrond aanwezig zijn. Met steen als eerste lid van veldnamen zijn er o.a. Steenakker, Steenheining, Steenmortel, Steenplaats, Steentichelt, Steenpaal en Steenweerd. Steentichelt onder Rijsbergen in het gehucht Tichelt lijkt de opvatting te versterken dat steen hier iets te maken heeft met de Romeinse archeologica (net zoals de gehuchtsnaam Tichelt). De pastoor G.C.A. Juten spreekt over Tichelt in 'De Parochiën van het bisdom Breda'. Men denkt dat het woord Tichelt afgeleid is van het feit dat in die regio een steenbakkerij stond. Niet ver van deze plek is bij het aanleggen van de we Breda-Antwerpen aan het begin van de 20e eeuw de hierna omschreven altaar van Sandraudiga gevonden.


 

Vondst van de Altaarsteen

In 1812 werd bij de aanleg van de Napoleonsweg van Antwerpen naar Breda op de Tiggeltakker, bij het gehucht Tiggelt onder Rijsbergen, een altaarsteen gevonden van witte kalksteen, door de “cultores templi” gewijd aan de verder onbekende godin Sandraudiga. Het opschrift van de steen luidt: “DEAE SANDRAUDIGAE CULTORES TEMPLI”. Dit zou betrekking hebben gehad op de tempel van 'Dea Sandraudiga', godin van Santrode (Zundert) of godin van Taxandrië. Sandraudiga of Sandraudigr is een godin uit de Romeinse tijd. Vanuit die tijdsperiode spreekt dan ook weer de relatie naar het station aan een Romeinse heerbaan, die in de richting van Hoogstraten zou gelopen hebben. De exacte locatie van de vondst schijnt het huidige restaurant Aville te zijn, aan de Antwerpseweg. De steen bevindt zich tegenwoordig in het Rijksmuseum van Oudheden te leiden.

De afmetingen van de steen zijn: 181 cm hoog, 142 cm breed en 40,5 cm dik. De godin Sandraudiga is alleen van deze inscriptie bekend. Zij behoort, ondanks de gelatiniseerde naam, tot de Germaanse godenwereld. Wie de “cultores templi” waren die de steen aan Sandraudiga wijdden, is niet geheel duidelijk. Er zijn verschillende interpretaties: de beheerders van de tempel, de dienaren van de tempel, de “kerkmeesters”of misschien de tot de tempelgemeenschap behorende vereerders. De oppervlakkige overeenkomst tussen de naam Sandraudiga en de plaatsnaam Zundert, waarover nogal wat speculaties zijn geweest, is vermoedelijk zuiver toevallig.

Altaar van Sandraudiga voorzijde Altaar van Sandraudiga - zij-aanzicht Altaar van Sandraudiga - Achterzijde

 

Meer over de godin Sandraudiga

De naam van de godin wordt gewoonlijk vertaald met "Zandrode", of Godin van het Zandland. De naam zou later tot Zundert verbasterd zijn (wat onwaarschijnlijk is, daar Zundert "slechts" 850 jaar oud is, en de steen meer dan dubbel zo oud). Het is niet geheel duidelijk wat er mee wordt bedoeld, een godin van rood zand, of van een zandrode, waarbij de rode verwijst gerooid bos?

Godin van IJzer?
Rood zand bestaat wel (rode zandsteen) maar komt in Nederland niet voor bij mijn weten. Er zou wel verwezen kunnen worden naar zandgrond die door ijzeroxidatie aan de bovenkant rood is verkleurd. In die zin zou de verering van de godin kunnen samenhangen met ijzerwinning (moerasijzererts). Mogelijk hangt de naam van Isenbucæga, gevonden op een altaarsteen (bron), ook samen met ijzerwinning (isen). Er is bij de vondstplaats van het altaar van Sandraudiga ijzeroer gevonden, wat niet ongewoon is bij dekzandruggen, de moerasijzererts wordt in de beekdalen gevonden.
Het Meertens instituut geeft naar Toorians de vertaling "rode merkpaal" en dat wordt in samenhang gebracht met de rode kleur van de bodem door het ijzer in de beken.

Godin van de Taxus?
De gerooide bossen kunnen samenhangen met de bewering dat de Sandraudiga de godin van Taxandrië was, een landstreek in Zuid-Nederland, België en Noord-Frankrijk. De naam zou zijn gegeven vanwege het grote aantal taxus bomen dat er groeide. Had de godin mogelijk iets te maken met de bosbouw en de voorwerpen (bogen) die van taxushout werden gemaakt? In die betekenis kan er een samenhang zijn met de naam van het nabijgelegen gehucht Stuivezand, immers, zand stuift pas nadat de vegetatie is verwijderd. En er zijn opvallende dekzandruggen in deze omgeving. De meeste zandverstuivingen stammen echter uit de Middeleeuwen.

Godin van bloed?
In de Engelse Wikipedia wordt aangegeven dat de naam zou staan voor "zij die het zand rood kleurt". Het ligt voor de hand aan een oorlogsgodin te denken, en dat het zand door het bloed rood wordt gekleurd.

Godin van Rijkdom?
Reginheim geeft echter aan dat de naam mogelijk "de waarlijk rijke" betekent, uitgaande van het Oudnoorse "sandr"=waarlijk en "audigr"=rijk). Die visie geeft ook Simek: terug te voeren op het Oudnoordse "sannr"=waarheid, en het Gotische "audrags"=rijk.
Als de rijkdom wordt gezien als vruchtbaarheid, dan zou dat een zinnige naam zijn, gezien het feit dat de altaarsteen is versierd met appelen en de hoorn des overvloeds. Een rijke, vruchtbare godin dus. Zo ziet ook de Cultuurwijzer het, hoewel het daar niet wordt beargumenteerd.

Het enige dat van de godin bekend is, is de altaarsteen. Dat is het enige wetenschappelijke bewijs van haar bestaan. Die steen verwijst met de decoraties niet naar ijzerwinning, taxus of oorlog. Daarom alleen al lijkt het voor de hand liggend dat het eerder om een vruchtbaarheidsgodin of oogstgodin gaat. Dat kan dus ook heel goed een aarde-godin zijn, waarbij zij is genoemd naar de kleur van de aarde ter plaatse, namelijk het roestrood van het zand in de beekdalen.
Als het altaar in de buurt van de tempel is gevonden, zal deze, gezien de plaatselijke bodemgesteldheid, waarschijnlijk op de iets verhoogde oever van het beekdal hebben gestaan (Info), een verhoging die later Rijsbergen werd genoemd (hoewel dat speculatief is, want ik weet niet of er echt opvallende verhogingen van het landschap zijn op die plaats). Het is niet bekend of deze streken vruchtbaarder waren dan de omgeving.

 


 

Verder archeologisch onderzoek

Aan belangstelling voor de vindplaats heeft het niet ontbroken. Prosper Cuypers verrichtte er, samen met De Grez, in 1842 een opgraving. Behalve aardewerkscherven vonden ze er veel stukken van Romeinse dakpannen, brokken ijzeroer, kalkstenen, stukken pleisterwerk (waarvan enkele beschilderd) en tal van ijzeren haken, spijkers en vier munten. De vondsten wijzen in de richting van een in Romeinse stijl opgetrokken gebouwtje, mogelijk een heiligdom, met in de onmiddellijke omgeving een grafveldje waar Germaanse urnen werden aangetroffen. In die periode was het gebruikelijke gebruikelijk om de doden te cremeren en vervolgens de crematieresten in een urn te stoppen die begraven werd. Een klein deel van de vondsten bevindt zich in het Noord Brabants Museum in Den Bosch. De scherven worden gedateerd omstreeks het einde van de eerste eeuw tot in de eerste helft van de derde eeuw. De Romeinse munten dateren uit dezelfde periode.

Ook Louis Stroobant heeft op de Tiggeltakker gegraven. Hij vond er in 1903 scherven uit de Romeinse tijd. In 1924 heeft Holwerda er onderzoek verricht. Naast ijzertijd aardewerk en inheems aardewerk uit de Romeinse tijd, vond hij er Romeins aardewerk, dakpannen, twee fibulae, een koperen munt met de afbeelding van Marcus Aurelius en brokken ijzeroer. Holwerda geloofde niet in het Romeinse tempeltje. Volgens hem was de steen met inscriptie opgericht op het klein grafveld, van een Bataafse of aanverwante stam en lag het heiligdom van de godin zelf in buurt. Het heiligdom zou volgens hem niet meer zijn geweest dan een plek in het bos, afgepaald met een rij stenen waarbinnen de offeranden konden worden achtergelaten.

In 1950 werd er een opgraving verricht door Bogaers. De aanleiding vormde de vondst van een tweetal crematie-urnen bij de plaats waar de altaarsteen was ontdekt. De conclusie van Bogaers, op grond van de vroegere opgravingen en zijn eigen onderzoek, was dat (zeker in de tweede eeuw) op de Tiggeltakker, een eenvoudig tempeltje heeft gestaan dat in Romeinse stijl was opgetrokken.

De hiervoor genoemde onderzoekers hebben zich bepaald tot de plaats waar de altaarsteen is gevonden en de onmiddellijke omgeving ervan (de westkant van de oude Rijksweg). In de jaren na 1950 is echter herhaaldelijk gebleken dat op verscheidene plaatsen in de omgeving ook bewoningssporen aanwezig zijn, zowel uit de ijzertijd als uit de Romeinse tijd. Een onderzoek van enige betekenis heeft daarna echter niet meer plaatsgevonden. Dit ondanks het feit dat er talrijke vondsten zijn gedaan o.m. bij de verbreding van de weg in 1965 (vooral aan de oostzijde van de weg). Ook in het aangrenzende Stuivezand (gem. Zundert), zijn verschillende Romeinse vondsten gedaan.


 

Bronnen

“Prehistorie en vroegste geschiedenis van West Brabant” door J.H. Verhagen.
“Genealogie der Familie van Tichelen” door B.W. van Schijndel.
"Laatmiddelseeuws landschap en Veldnamen in de Baronie van Breda" door uitgeverij van Gorcum.
Beschrijving van de godin Sandraudiga is genomen vanaf Queeste naar Mimir's bron.
Foto's zijn onderdeel van het Rijksmuseum van Oudheden, Leiden; verkregen via de website Het Geheugen van Nederland
De Kadasterkaart Minuutplan uit 1812 is verkregen via de website Wat Was Waar .nl
Met dank aan Adje van den Bosch – Van Tiggelen.